Feiten

Feiten
1. BruXsel in cijfers en statistieken

2. Nieuwe definities

3. De taal van den bruXseleir

1. BruXsel in cijfers en statistieken
(te vervolledigen met u)

* oppervlakte : 161 km2 (0,53% België)
* dichtheid : 6.237 hab/km2
* bevolking : 1.006.749 bewoners (9,64% België)
waarvan 736.000 Belgen en 263.000 vreemdelingen
waarvan 154.000 uit Europe, 45.000 uit Maghreb-landen et 12.000 uit Turkije
* 24% van de bevolking is jonger dan 20
* 16% ouder dan 6
* levensverwachteing: vrouwen 81 jaar / mannen 76 (2003)
* in 2004 waren er in BruXsel een beetje meer echtscheidingen dan huwelijken
* huishoudens met TV: 92%, P.C.: 49,3%, GSM: 67,3%
* 1 bruXselaar op 2 beschikt over een auto (50%)
* 1900 km autowegen
* 487 kruispunten voorzien van verkeerslichten
* 31 tunnels, 77 bruggen en 17 viaducten
* 7.000 zebrapaden
* 18.500 verkeersborden
* 26.000 straatlantaarns

2. Nieuwe diefinities
(te vervolledigen met u)

Lingua franca : langue véhiculaire utilisée par les habitants d'une région ou nation multilingue pour communiquer. A BruXsel, c'est le français qui est considéré comme la lingua franca

Vlaming : een persoon die in het Vlaamse gewest woont
(equivalent aan Waal of Brusselaar)
Brusselse alliantie: groepering van alle regionale democratische brusselse partijen
Confederalisme: een uni van meerdere staten die zich associëren met behoud van hun soevereiniteit

3. NIEUW BRUXSELEIR DICTIONNAIR (te vervolledigen)

Tchouler : wenen
Avoir dur : het moeilijk hebben
Ca tire : het trekt hier
Tof ! : t'is goed, OK
Ils croivent : ze geloven
Verbaveré : verbaasd
T'inquiète : trek het u niet aan

Une vidange : leeggoed
Une farde : een plastiek of kartonnen mapje
Un essuie de vaisselle : een schotelvod
Loque à reloqueter : een dwijl
Une boulangerie pâtisserie : een banketbakker
Un pain français : een stokbrood
Une couque au chocolat : een chocoladekoek
Une gosette aux pommes : un chausson aux pommes
Un craquelin, un cramique : een suikerbrood en een kramiekske
Un ballotin de pralines : een doosje pralines
Acheter des boules : snoepjes kopen
Un domino : een dominostekker
Un essuie : een badhanddoek
Une tirette : een schuifraam
Une wasserette : een wassalon
Du brol : rommel
C'est du vlek : slechte kwaliteit

L'Athéné : middelbaar onderwijs
Brosser les cours : sécher les cours
Des copions : des antisèches
Un journal de classe : een klasagenda
Une bomme une poutre de gymnastique
Une farde : een map
Une buse (busé) : gebuisd zijn op een examen
Une pette : gebuisd zijn op een examen
Une latte : een meet lat

Un filet américain : id
Des oiseaux sans tête : een blinde vink
Des chicons (aussi witloof) : andijvie en witlof
Dîner : middagmaal
Souper : avondmaal
Une assiette profonde : een soepbord

A pouf : op goed geluk
Du pouf : schulden
Pouffer (de rire) : zich te pletter lachen
A tantôt! : tot later
A tout à l'heure! : tot later
En stoemmelings : in 't geniep, onopvallend
Envoyer un fax : een fax versturen
Prendre le ring : de ring nemen

Des cheveux crolés (des croles) : krulhaar
Septante : soixante-dix - zeventig
Nonante : quatre-vingt dix - negentig
Kot : studentenkamer
Un feu ouvert : een open haard
Logopède : orthophoniste - logopedist
Non peut-être! : Oui sûrement! - ja zeker
Spitant : levendig
Spiter : pétiller, éclabousser, gicler, étinceler
Ca spite! : ça éclabousse (légèrement)
Eau qui spite : eau pétillante - bruisend water
Un fritkot : une baraque à frites, une friterie - een frietkot
Un clignoteur : een knipperlicht
Une berme : de middenberm

S'il vous plaît ! : voici ! Hier!
S'il vous plaît ? : pardon ? Excuzeer me?
Quel brol : Wat een rommel
Il fait caillant : het is zeer koud
Tu racontes des carabistouilles : Je vertelt zever in pakskes
Une clenche (prononcé clinche) : een deurklink
Un cumulet : une culbute
Une guindaille : een studentenfeest
Guindailler : faire la fête
Gai : amusant (ne pas confondre avec Gay / homosexuel) een grappig figuur
Laisse la porte contre : de deur tegen zetten (op een kier)
Un bassin de natation : een zwembad
Un bourgmestre : un maire een burgemeester
Un duvet : un édredon een donsdeken
Une escabelle : een dubbele ladder
Prendre sa pension : op pensioen gaan
Une ramassette : blik en borstel
Une aubette : een bushalte
Auto-scooter : auto tamponneuse